Eén week lang trokken we met deze prachtige groep mensen door de Spaanse Pyreneeën. De redenen die ons hier brachten, waren voor elk lid van de groep anders en uniek. Ieder van ons droeg een eigen intentie mee, een vraag, een hoop of een bepaald verlangen naar verdieping en/of verbinding.
Maar deze rupture ervaring laat zich niet gemakkelijk vangen in woorden, zelfs niet in superlatieven: ze zijn groter dan de taal die ik ervoor kan vinden. Of zoals onze reisleider Khalid al meermaals zei: si tu le vis pas, tu le comprends pas. Dus waarom toch proberen beschrijven wat we veelvuldig onbeschrijfelijk of zelfs ongelooflijk noemden?
Omdat de Carte Blanche rupture een levend voorbeeld was van wat samenleven in levensbeschouwelijke diversiteit kan betekenen. Wat we hebben meegemaakt is te waardevol om onuitgesproken te laten, te mooi om niet gedeeld te worden. Daarom deze voorzichtige poging om het onbeschrijfelijke toch te beschrijven en zo te verspreiden, in de hoop anderen te inspireren.
Ver weg van de stad, van de notificaties, de prikkels en de gejaagdheid, viel er iets van ons af. De maskers die we in het dagelijkse leven soms dragen en ondanks de in dit geval letterlijk zware rugzak die we onderweg droegen, viel er ook een soort last van onze schouders. Een last in de vorm van verwachtingen waaraan we (denken te) moeten voldoen, het constante zoeken naar onze plek en wie we zijn of willen zijn. In deze witruimte verdween de ruis. En laat het nu net dat zijn waarin het kernidee van de rupture in schuilt. Het is een breuk met het alledaagse, een onderbreking die ons losmaakt van wat we dachten dat we moesten vast houden. Het is het landschap: groots, stil en onverschillig, dat ons zowel kalmeert als inspireert, dat ons klein doet voelen maar tegelijk uitnodigt om groter te denken. Het is de verbondenheid die voortkomt uit het aangewezen zijn op elkaar en het besef dat we samen verder komen dan alleen.
Hoewel de reis een aaneenschakeling was van betekenisvolle momenten, was er één specifiek ogenblik, vastgelegd op bovenstaande foto, dat een diepe, blijvende indruk op mij heeft achtergelaten.Tijdens de middagpauze in een vallei begonnen enkele moslims het middaggebed. Enkele anderen maakten van dit moment van sereniteit gebruik om op hun eigen manier te bezinnen. De schoonheid zat voor mij in de moeiteloosheid of zelfs bijna vanzelfsprekende manier waarop dit moment gedeeld werd. Het natuurlijke ontstaan van een ruimte voor ieders unieke manier om betekenis te geven aan dit moment, maakte duidelijk dat verschillende levensbeschouwingen samen kunnen bestaan, zonder hun eigenheid te verliezen. Dat ze elkaar niet uitsluiten maar net de beleving van het moment nog rijker en krachtiger maken wanneer ze samenkomen.
De duidelijk voelbare openheid en vertrouwen maakte dat er daarna een van de meest intense interlevensbeschouwelijke dialogen ontstond die ik ooit heb mogen meemaken. Het was een uitwisseling waarin alle voorwaarden voor een dialoog ruimschoots werden afgevinkt: openheid, authenticiteit, de bereidheid om te delen en de vrijheid om te vertellen en vragen te stellen zonder angst voor een oordeel. We leerden luisteren met andere oren, kijken met een andere blik.
Ikzelf leerde doorheen het gesprek de dieperliggende betekenis van Alhamdulillah begrijpen, dat plotseling meer werd dan louter een uiting van dankbaarheid. Het werd een besef, een omarming van het leven zoals het komt. Dat alles wat ons 'toevalt' in het leven, dat we tevergeefs proberen categoriseren als ‘goed’ of ‘slecht’, een geschenk is. Het herinnert er ons aan dat er altijd iets is om dankbaar voor te zijn. En wat was ik dankbaar voor dit moment en de mensen waarmee ik het kon delen.
Op dezelfde organische, ongedwongen manier ontstonden ook de gesprekken tijdens het wandelen. Gesprekken over waar we vandaan komen en waar we naartoe willen. Over onszelf, onszelf in relatie met anderen, over ‘de ander’. Over wat ons drijft en ervoor zorgt dat we blijven drijven. Over thuis en nergens thuis zijn. Over wat ons wakker houdt, maar ook over wat maakt dat we met een gerust hart kunnen slapen en nog kunnen of durven dromen. Over geloof en ongeloof. Over het leven en wat het van ons vraagt. Over doodgaan, maar dan wel gewoon liefst nog niet vandaag.
’s Avonds werd er wel steeds doelbewust een ruimte gecreëerd voor dialoog. We stonden stil bij onze levenslijnen en deelden die met elkaar. Hierdoor leerden we onszelf én elkaar beter kennen, niet alleen door de woorden, maar vooral in de kwetsbaarheid waarmee ze werden uitgesproken. We zagen hoe nabijheid ontstaat als iemand durft te zeggen: "Dit ben ik. Dit is mijn verhaal."
Toch zijn het niet alleen de gesprekken met anderen die de rupture zo krachtig maken, het is evenzeer de stilte. Een stilte die niet dwingend of ongemakkelijk is. Een stilte die ons aanspreekt, en dus niet leeg is of gedefinieerd wordt door de afwezigheid van iets, maar net door een aanwezigheid: Rust. Ruimte. Aandacht. In die stilte ontstaan geen woorden, maar gedachten of gevoelens waar we anders misschien geen gehoor aan zouden geven. Een stilte die een bewustzijn creëert en toelaat om naar binnen te keren, om in dialoog te gaan met onszelf. Om zonder haast te achterhalen wat er vanbinnen leeft of aanwezig is, zonder dat het in woorden moet worden gegoten om te worden uitgesproken.
Hoewel deze reis ons vaak leidde tot diepzinnige conversaties over soms zware onderwerpen, was er een fijne balans tussen zwaarte en lichtheid. Even spontaan ontstonden moment van speelsheid, in sneeuwballengevechten, mopjes, ontmoetingen met geitjes, dansen en zingen in de sneeuw of karaoke in de bus tijdens een sneeuwstorm.
Ik vergelijk de reis graag met een eeuwenoude mythe: steeds weer omhoog klimmen, enkel om daarna af te dalen en de dag erna opnieuw hetzelfde te doen. We zouden dit nutteloos kunnen vinden. Of we kunnen het narratief veranderen en de betekenis vinden niet in het bereiken van de top, maar in het (samen) onderweg zijn. In het besef dat het niet de top is die telt, maar de inspanning om dichterbij te komen. Het volharden in de beklimming, zelfs als het pad steil en onzeker is of de top misschien zelfs niet eens haalbaar lijkt.
En is dat niet ook een metafoor voor ons samenleven in Brussel? Ik schat de kans eerder klein dat we ooit het punt bereiken waarop we elkaar volledig begrijpen. Maar dat betekent niet dat we er niet naar kunnen streven. Want wat telt, is dat we blijven klimmen. Dat we, ondanks obstakels of zelfs wanneer het onmogelijk lijkt, op zijn minst blijven proberen om elkaar te verstaan. Dat we in de inspanning, in de zoektocht naar begrip, de schoonheid vinden en deze zoektocht nooit opgeven.
Elke stap, elke ontmoeting, elke uitwisseling op onze reis bewees ons iets: wij zijn een levend voorbeeld van wat we in Brussel ook zouden willen terugzien. Deze groep heeft getoond dat interlevensbeschouwelijke dialoog geen onbereikbare illusie is, maar een hoopvolle mogelijkheid en een krachtig middel. Dat samenleven geen naïeve utopie is, maar een haalbare opdracht als we bereid zijn om open te staan voor het ‘anders zijn’ van de ander.
Deze reis eindigt hier niet. Wat we in de bergen vonden, willen we meenemen naar de stad, naar de plekken waar verschillen nog vaak als muren worden gezien in plaats van bruggen. We willen tonen aan de wereld dat samenleven in diversiteit niet alleen mogelijk is, maar ook een verrijking. Dat de rupture niet enkel een onderbreking was uit ons dagelijks leven, maar dat we de hoop, de verbondenheid en het begrip dat we hier voelden, moeten verderzetten.